De diagnose

Een sociaal kwetsbaar kind…

Met heel veel spoed en nog meer incidenten zijn we eindelijk bij de GGZ aan de beurt. Daar zal een psycholoog een diagnose voor onze oudste zoon stellen. We hebben verschillende sessies en gesprekken gehad en vandaag krijgen wij te horen of een diagnose gesteld kan worden en, zo ja, welke diagnose dit is. Wij achten het onmogelijk dat er géén diagnose uitkomt. Dat was twee jaren eerder het geval. “Een sociaal kwetsbaar kind, maar verder geen hulp nodig en u kunt precies dezelfde eisen stellen als u aan uw jongste zoon stelt.” Vandaag is de situatie anders. Zijn gedrag is de afgelopen maanden steeds verder verslechterd en eigenlijk gaat er de laatste weken iedere dag wel iets kapot: de auto, de keukendeur, de kast. Misschien kan ik beter de dingen opsommen die niet kapot zijn gegaan.

 

Maar terug naar de dag van de uitslag van de diagnose. Voor de zekerheid is over drie weken alvast een gesprek met de psychiater gepland. Deze kan afgezegd worden, maar om een lange wachttijd te voorkomen, is deze alvast ingepland. Hoewel wij zeker geen fans zijn van pilletjes, begint bij ons langzaam het besef door te dringen dat medicatie weleens meer dan noodzakelijk zou kunnen zijn.

Wij weten het echt niet meer, alleen dat dit moet stoppen

We hebben alles geprobeerd. De harde hand leidt tot meer agressie, de zachte hand leidt tot verder afbrokkelen van gezag, structuur leidt tot agressie, minder structuur tot chaos. Eigenlijk weten wij het echt niet meer, alleen dat dit moet stoppen. Deze situatie heeft ook voordelen: de mensen die het hardst riepen dat er niets aan de hand was, staan nu in de rij om ons sterkte te wensen. Hoewel goed bedoeld, maakt het ons niet minder radeloos.

De diagnose luidt PDD-NOS, vandaag nog een separate diagnose, nog geen onderdeel van het autistisch spectrum stoornis. Het advies is om medicatie te gaan toedienen of een overgang naar het speciaal onderwijs. Liefst niet beiden tegelijkertijd. Een ander kind dat PPD-NOS gediagnosticeerd is, lijkt in geen enkel opzicht op onze zoon, maar dat is heel goed mogelijk, wordt ons verzekerd. Als hij wat rustiger is, dan is psycho-educatie een goede optie. En ook Rationeel Emotionele Therapie wordt aanbevolen, maar alleen als hij eraan toe is. Nou, dat zal nog even duren.

Uit huis geplaatst: begin van het einde, of van een nieuw begin?

Vandaag is het zover. Onze oudste zoon wordt uit huis geplaatst. Onverwacht is het niet, maar daarom niet minder pijnlijk. En wat zal hij er zelf wel niet van vinden. En komt hij ooit weer thuis en komen we nu tot rust. Durft ons jongste zoontje nu ’s avonds zijn ogen weer dicht te doen als hij in bed ligt? De laatste weken durfde hij niet alleen met zijn grote broer boven te zijn. Toen ik een keer toch probeerde om naar beneden te sluipen, hoorde ik hem fluisteren: ‘papa, niet naar beneden gaan. Ik ben bang.’ Een van ons moest per se boven blijven. Maar nu, als we de oudste gaan wegbrengen is hij uit logeren. Wanneer zullen ze elkaar weer zien?

Papa, niet naar beneden gaan. Ik ben bang.

De frustratie van de oudste valt mee. Vrolijk pakt hij zijn spullen in. Onze bepaald niet kleine auto zit tot de nok toe aan vol met spullen. De grote beer, waar hij jaren niet naar heeft omgekeken, neemt een groot deel van de ruimte in beslag. De hoeveelheid nuttige spullen schat ik op nog geen 10 procent. Maar ik zeg er niets van. Ik kan ook niets zeggen. De woorden stokken ergens in mijn keel. Gemaakt vrolijk stappen we in de auto. Hij is echt vrolijk. Voor hem lijkt het een logeerpartij, een nieuw avontuur.

Het lijkt meer op een hotel dan op een gevangenis

Vrolijk worden we opgevangen door de coördinator van de plaatsingslocatie. Het lijkt meer op een hotel dan op een gevangenis. Gelukkig maar. Misschien is het wel leuk. De andere kinderen zijn naar school, maar de aanwezige begeleiders zijn vriendelijk en de sfeer lijkt ontspannen. Hij heeft een mooi en rustig kamertje. Misschien valt het wel mee.

Na het afscheid voel ik dat ik weg moet lopen, gauw terug naar de auto. Als we wegrijden, branden de tranen in mijn ogen. Mijn vrouw zit naast mij. Ik kijk niet opzij, om het niet onnodig moeilijk te maken. Om het zwijgen niet te pijnlijk te laten worden zeg ik; ‘nou, dat is het dan’.
‘Tja,’ krijg ik als antwoord. De stilte is doorbroken, maar de twijfel is heviger dan ooit. We gaan lunchen in het centrum. Het is een lekker broodje, maar het smaakt voor geen meter. Net als de koffie. De leegte die is ontstaan door het gemis is niet weg te eten of te drinken.

De jongste is blij dat hij nu het enige kind is. De angst die hij moet hebben doorstaan wordt nu pas in volle omvang duidelijk. Hij is vrolijker en ook opener. Hij wel.

Vooruit met een kapotte voorruit

In de vakantie gaan wij eten bij een groep vrienden, zoals wij dat vaker doen. Het begon ooit als studievrienden die voor elkaar gingen koken, maar het zijn vier stelletjes met kinderen geworden. De nachtelijke filosofische gesprekken hebben plaatsgemaakt voor gesprekken over luiers, kinderopvang en het uitwisselen van basisschool ervaringen. Ook wordt er flink minder gerookt tegenwoordig, maar de sfeer is gebleven.

Tijdens het toetje moet Harrie naar de wc en komt er niet meer af. Hij blijkt boos om vage redenen, maar het lukt me om hem te overreden om de deur open te maken.

De vrede is getekend, de problemen zijn weg.

Vrolijk groet Harrie de anderen en stapt in de auto. Omdat hij snel last heeft van wagenziekte zit hij eigenlijk altijd voorin. Ik pak een laatste tas uit de kamer en neem afscheid van alle aanwezigen.

Opgelucht stap ik in de auto. De problemen zijn voorbij en met vier vrolijke mensen gaan we naar huis na een leuk middagje bijkletsen en eten. Mooi dat we steeds meer grip krijgen op Harrie en hem steeds beter leren te lezen. Dat is weleens anders geweest.

‘Nou, dat was gezellig. Niet waar?’

Ik stel de vraag terwijl terwijl ik de auto start. Het volgende moment ben ik perplex. Ik geloof mijn ogen en oren niet. Als door en adder gebeten begint Harrie te schelden en te schoppen. Ik probeer hem te kalmeren, op dezelfde wijze die vijfenveertig minuten daarvoor zo succesvol was.

Het effect is nu honderdtachtig graden anders.

Harrie wordt agressiever dan ooit tevoren en lijkt niet te bedaren. Hij schopt en schopt tegen de voorruit en deze begint te kraken en te barsten.Totaal verbouwereerd zit ik passief toe te kijken. Als Harrie enigszins is gekalmeerd start ik de auto en rijd naar huis. De terugreis verloopt verder zonder incidenten. Ook de dagen erna is het pais en vrede in huis. De agressie is er uit, de vulkaan is weer even leeg.

Van het pad af tijdens de avondvierdaagse

Het is bijna traditioneel, alsof ze denken dat ik wat afleiding nodig heb. De avondvierdaagse staat strak gepland op de drukste week van het jaar op mijn werk. Ik heb me goed voorbereid en loop dit jaar alleen de woensdag mee, mijn papadag. Ik sta ruim op tijd aan de start. Harrie (10) vertelt het nog één keer: van mij hoef je niet mee te lopen, papa, en je gaat niet bij mij lopen. Goedgeluimd denk ik als hij straks een beetje moe is geworden, dan draait hij wel bij. Hij loopt dit jaar voor het eerst de 11 kilometer.

Had ik het maar niet gewenst. We lopen richting de Erven en komen in de buurt van ons huis. Op het Achterhoekpad houdt de hele school ineens stil. Ik heb blijkbaar even niet opgelet en vraag snel aan twee meelopende meiden wat er is gebeurd. ‘Harrie is weggelopen meneer en nu kunnen we niet verder.’

‘Ik ben de papa van Harrie, ik ga wel even kijken.’ Van andere ouders hoor ik dat Harrie de bosjes in is gelopen. We spreken af dat ik ga zoeken en de rest doorloopt. Want zolang  de anderen blijven staan, zorgt Harrie wel dat hij onvindbaar is. Mocht ik hem vinden dan haal ik de achterstand in en anders loop ik door naar huis.

Ik zoek in de bosjes een paar keer door en vindt hem uiteindelijk, hij wil gelukkig gevonden worden. Harrie was vorige week ’s avonds een keertje bang geweest dat hij de 11 kilometer niet zou volhouden. In al mijn wijsheid heb ik hem toen geadviseerd om stevig door te lopen, dan word je het minst moe en houd je het zeker vol.

En dat is precies wat hij heeft gedaan. Tot hij helemaal in de voorste linie van de school terechtkwam en door een ouder werd tegengehouden omdat hij bij zijn school moest blijven. Totale paniek in zijn hoofd: nu houd ik het niet vol. Hij probeert even het signaal te negeren en door te lopen, maar als dat niet lukt vlucht hij de andere kant op: de bosjes in. Na overleg besluiten Harrie en ik om de anderen in te halen en onze tocht te voltooien. We hebben wel een stukje afgesneden, niet verder vertellen hoor.

Die avond begint bij mij te dagen dat de incidenten van de afgelopen tijd een patroon zijn gaan vormen. Geen idee wat er aan de hand is. Andere ouders lachen om dit voorval, ik lach mee, maar diep in mij huist twijfel en onzekerheid. Misschien zelfs een angstig voorgevoel voor wat komen gaat.