Daar gaat hij dan!

De tijd vliegt, alweer bijna twee! Heerlijke leeftijd, Noah krijgt zijn eigen willetje en dat is best confronterend, ik wil hem zo graag klein houden, maar daar heeft Noah geen tijd voor, voor hem is ontdekken nu echt begonnen.

Hij ontwikkelt zich in een rap tempo en ik kan het amper bijhouden.

Alles is zo nieuw en zoekende, hoe gaan we om met zijn vurige karakter en zijn driftbuien? Ze zijn soms zo heftig dat hij blauwe plekken op zijn voorhoofd heeft staan. Waar is de peuter gebruiksaanwijzing? Hij weet wat hij wil, wat hij in zijn hoofd heeft MOET gebeuren. Heeft hij niet van een vreemde..

Zijn eerste ochtend bij de peuterspeelgroep zit er op,  het stukje loslaten is nu echt begonnen. Het was zo bijzonder om hem weg te brengen, bij Milan hebben we dit nooit mee kunnen maken en dat is best confronterend, ik ben me nu echt aan het bedenken en proberen voor te stellen hoe het bij Milan was gegaan, hoe hij er nu uit zou zien? Afgelopen februari zou hij vier zijn geworden.

We hadden hem naar de basisschool moeten brengen en zijn verjaardag uitgebreid  moeten vieren in plaats van een cadeautje bij zijn grafje brengen samen met zijn broer en zusje.

Toen we Noah gingen ophalen van de peuterspeelgroep, vloog er een mooi vlindertje om ons heen. Wat voelde ik mij trots en gelukkig dat we dit toch mogen mee maken, gezegend met 3 mooie kids.

Gefaald in de opvoeding

Vandaag mag mijn zoon van 18 voor het eerst stemmen. Hij heeft werkelijk geen enkele belangstelling voor politiek. En ik realiseerde me van de week dat ik op dat gebied een steek heb laten vallen in de opvoeding. Toen mijn dochter met de laatste landelijke verkiezingen voor het eerst mocht stemmen begon zij zich uit zichzelf te verdiepen in de partijen. Ze deed een stemwijzer en las in de krant een overzicht van de standpunten van de verschillende partijen. Ze maakte haar eigen keuze. Een andere dan haar ouders. Dat vond ik mooi. Toen ik 18 was stemde ik op de partij waar mijn ouders op stemden zonder me maar ergens in te verdiepen. En nu wil ze weer stemmen maar heeft geen stembiljet ontvangen. Ze woont op kamers in Groningen en heeft daar de gemeente gebeld om te vragen hoe dat kan. Ze denken dat het komt door haar verhuizing. Erg jammer dat dit niet beter geregeld is!

Maar terug naar mijn zoon. Toen ik mij van de week realiseerde dat hij er helemaal niet mee bezig was, nam ik mij voor om het er met hem over te hebben en hem te stimuleren de stemwijzer toe doen. Maar óf ik was druk óf hij was weg en het kwam er niet van. En nu is de dag van de verkiezingen en voel ik dat ik gefaald heb in de opvoeding op dit gebied. En dat probeer ik nu, op het nippertje, goed te maken door hem op school (via Whats app) te ‘dwingen’ om te gaan stemmen terwijl hij er helemaal geen zin in heeft. Ik strooi met argumenten als dat het zijn plicht is en hij zo nog best even de stemwijzer kan gaan doen. Maar hij blijft tegenstribbelen en ik vrees dat hij het niet gaat doen. En daar baal ik van. Van mezelf dan. Juist in deze tijd is het zo belangrijk dat jongeren bewuste keuzes maken. Als je je nergens in verdiept dan ben je geneigd om de grootste schreeuwers en mensen die voor onwaarheden hun hand niet omdraaien te geloven. We hebben het hier thuis wel eens over maar onvoldoende om de kinderen een eigen mening te laten vormen.

Het is een goede leer voor de volgende keer. Gelukkig heb ik nog een jongere zoon die zeker wel voorbereid zal worden voor zijn eerste verkiezingen. Mooi goedmakertje! Nee dus… Ik heb dit echt niet goed gedaan en baal daarvan. Maar de dag is nog niet voorbij! Misschien krijg ik hem nog zover.

Update: Terwijl ik bezig ben deze blog op de website te plaatsen bedacht ik mij ineens een nieuwe strategie. Ik heb mijn zoon deze tekst gestuurd via Whats app en warempel!! Hij is op school de stemwijzer in gaan vullen en is zich aan het verdiepen. Of zijn docenten er blij mee zijn weet ik niet. Maar ik wel! Hij gaat stemmen!! Pfieuw… dat was op het nippertje.

De (bij)werking van de medicijnen

Eventjes leefden we in een droom. De Risperidon sloeg aan en onze leek weer naar school te kunnen. Hij was rustiger en de agressie was ver weg. Wel deed hij vrijwel niets op school en lag hij af en toe op zijn schoolbank te slapen. Dit kwam steeds vaker voor. Ook ’s avonds ontstonden langzaam problemen. Hij kreeg angst voor van alles en nog wat en durfde steeds vaker niet te gaan slapen. Na driekwart jaar kwam de agressie terug. Dit kon tijdelijk het geval zijn, maar dit kon worden tegengegaan door de dosering Risperidon verhogen. Dit ging gepaard met een toename in gewicht. Niet alleen meetbaar op de weegschaal, maar ook zichtbaar. Hij was altijd een lang en mager jochie, maar nu kreeg hij een buikje, dikke kop en een onderkin.

 

Uiteindelijk zou hij meer dan twintig kilo in een jaar aankomen. Een ander effect was dat zijn concentratie verdween en weg bleef. Schoolgang ging steeds moeilijker. En hij wist wat hij moest doen om niet naar school te hoeven: gewoon schennis schoppen. Een schop tegen een kast, deur, kopieerapparaat of desnoods tegen een docent: het leverde een time-out van minimaal één dag op. Bij herhaling werd dat al snel een week En uiteindelijk zat hij volledig thuis. Een wisseling van medicatie zorgde dat de gewichtstoename een halt werd toegeroepen en hij uiteindelijk weer op zijn oude gewicht kwam. De planning om de verandering van medicatie zo rond de jaarwisseling door te voeren, was voorzichtig gezegd minder goed gekozen. De agressie kwam in volle omvang terug. Wij voelden de spanning oplopen, hielden de moed erin en bleven positief. Misschien zou het morgen beter zijn. Het bericht dat ze zorgboerderij hem niet meer wilde hebben, was een eerste signaal dat onze voorgevoelens wel eens juist konden zijn. Toen vervolgens de olie, waarin we enkele dagen daarvoor oliebollen in hadden gebakken, door de schuur werd gespoten, een ruit van dubbelglas werd ingeschopt en een therapeut ernstig werd bedreigd, was het positief blijven lastig vol te houden. We waren nu echt ten einde raad. Niets leek te helpen. Naar school gaan ging niet. Therapie accepteerde hij niet. Iedere regel waar hij niet van gediend was, negeerde hij en als je er iets van zei, was de agressie niet van de grond. Tijd heelt alle wonden, dat klinkt achteraf leuk, maar daar heb je op het moment zelf weinig aan. ’s Avonds blij dat de dag erop zat en ’s ochtends blij dat je wat geslapen had. Maar waarvoor eigenlijk? Ontspanning en sociale activiteiten waren iets uit een ver verleden. Iets leuks plannen en ook daadwerkelijk uitvoeren, na de zoveelste annulering stop je met plannen. Je leeft in een klein cirkeltje, waar de dreiging van nieuwe incidenten en schade continu aanwezig is. Schade herstellen stop je mee, want dat nodigt slechts uit tot een nieuwe slooppartij. Maar komt tijd, komt raad. De volgende keer gaat het over de weg omhoog.

Ja duh, natuurlijk is dat niet normaal!

Gisteravond heb ik de documentaire Leaving Neverland gekeken. In de documentaire vertellen twee, inmiddels volwassen, mannen over hun leven met Michael Jackson en dat zij, als kind, seksueel misbruikt zijn door hem. Het verhaal van de mannen kwam op mij erg overtuigend over. Maar of ze echt de waarheid vertellen zullen we nooit weten.

Ik hoop dat de documentaire iets los zal maken bij mensen. En dan bedoel ik niet een welles-nietes discussie over of de mannen de waarheid vertellen. Maar dat het zal gaan over het misbruik zelf. En dan met name van jongens/mannen. Na afloop vertelde een deskundige dat de meeste mensen die hulp zoeken na misbruik meisjes/vrouwen zijn. Voor jongens/mannen blijft het vaak een geheim dat zij hun hele leven met zich meedragen. Zij moeten stoer zijn, mogen geen slachtoffer zijn.

Was ik niet sexy genoeg?

Veel slachtoffers, net als de mannen in de documentaire, geven zichzelf de schuld van het misbruik. Ook hoor je vaak dat het voor hun gevoel niet klopt dat ze wel opwinding gevoeld hebben en zich wel bijzonder gevoeld hebben. En van dat gevoel maakt de dader dankbaar gebruik om het slachtoffer tot zwijgen te dwingen. Maar het is vrijwel onmogelijk om over dit geheim te blijven zwijgen. Het vreet je van binnen op en vroeg of laat loopt het slachtoffer vast. Ik schrok erg toen één van de mannen zei dat hij vaak een grapje maakte als iemand hem vroeg naar het misbruik van Michael Jackson. Hij vroeg dan: Als het waar is, waarom heeft hij het dan niet bij mij gedaan? Was ik niet sexy genoeg? Of was er iets mis met mij? Ik schrok daar zo van omdat ik iemand een keer precies hetzelfde grapje hoorde maken. Het was in een gesprek met een, wat oudere, man. Het ging over zijn verblijf in een klooster waar ook veel misbruik van jongens heeft plaatsgevonden. Was dit van hem ook een manier om het onderwerp af te kappen? Het werkte in ieder geval wel, het gesprek ging meteen ergens anders over.

Wat kunnen wij doen?

Ik vrees dat deze documentaire alleen maar twee soorten reacties op zal roepen. Sommige mensen zullen zeggen dat Michael Jackson een viezerik was en zij niet meer op dezelfde manier naar zijn muziek kunnen luisteren. En anderen zullen roepen dat deze mannen leugenaars zijn die uit zijn op geld en aandacht. In beide gevallen gaat het niet over het misbruik en dat is jammer want het zou zo goed zijn als het gesprek mensen over de drempel zal helpen om te vertellen wat hen is overkomen.

Wat wij kunnen doen is om de verhalen van slachtoffers nooit af te doen als leugens als we dat niet zeker weten. Dit maakt het voor slachtoffers alleen maar moeilijker om met hun verhaal naar buiten te komen. En we moeten, als ouder, altijd goed na te blijven denken over wat normaal is. Het is niet normaal om een kind in bed te laten slapen bij een volwassene. ‘Ja duh’, denk je dan, ‘natuurlijk is dat niet normaal!’ En toch belandden heel veel jongetjes in bed bij Michael Jackson. Met medeweten van hun ouders die er vanuit gingen dat er onschuldig gespeeld en geslapen werd!

Een draak van een rijbewijs!

Voor de meeste mensen niet zo bijzonder: het hebben van een rijbewijs. Voor mij lijkt het een onbedwingbare berg, een onverslaanbare draak.

Toen ik een jaar of 25 was, ben ik na 3 keer zakken gestopt met lessen. Ik was op, leeg. Net als mijn portemonnee trouwens. Wat vond ik rijles vreselijk! Ik herinner het me als de dag van gister: ik werd opgehaald bij mijn werk in Zwolle en dan reed ik twee lesuren met het zweet in de handen (en waar niet eigenlijk?) door die vreselijke spits. Nee, ik kijk er niet met plezier op terug. Ik had het gevoel de auto totaal niet onder controle te hebben en had niet het benodigde zelfvertrouwen om verkeerssitaties goed in te schatten. Elke week had ik weer een knoop in mijn maag. Op dinsdag had ik rijles, op woensdag voelde ik opluchting dat het weer voorbij was en op donderdag begon de buikpijn weer. Het zal je dus niet verbazen dat ik jarenlang niet heb verlangd naar het bezitten van een rijbewijs. (Wat een ironie dat ik een rijschoolfamilie ben ingetrouwd, mijn man heeft zelf ooit rijles gegeven!)

En toch ga ik weer op les. Waarom? Naast dat het hebben van een rijbewijs me toch wel heel erg handig lijkt: omdat ik mezelf wil leren dat fouten maken mag. Ik vind het vreselijk om iets niet te kunnen. Of, om precies te zijn, om geconfronteerd te worden met het feit iets niet te kunnen. Dus doe ik het liever niet. Ik vermijd situaties waarin ik denk dat ik iets niet kan. Maar de laatste tijd kom ik steeds meer tot het besef dat ik mezelf daar zo veel mee te kort doe. Dat ik mezelf de kans ontneem te groeien. Persoonlijk, professioneel en tot slot: als moeder. Ik wil mijn kinderen juist leren dat fouten maken mag. Dat het goed is om dingen te leren. Dat het heel oncomfortabel kan voelen om iets niet te beheersen, maar dat je groeit van proberen. ‘Van proberen kan je leren’ is ons gezinsmotto (en de titel van mijn vorige blog).  Hoe kan ik ze dat leren als ik het zelf niet eens toepas? Ik vind het dood-eng, maar ik doe het toch. Ik houd mezelf voor wat ik ook mijn dochter vaak heb ingeprent: het kost moed om iets te doen wat je spannend vindt. De ridder die de draak zonder angst verslaat is niet moedig. Voor moed is allereerst angst nodig. Ik houd dus voor ogen: ik ben moedig, ik ga mijn draak verslaan. Ik ben niet zonder angst, maar ik doe het toch. Omdat ik graag een rijbewijs wil.  Maar misschien nog wel meer omdat ik me niet wil laten leiden door angst. En omdat dát het voorbeeld is wat ik wil geven aan mijn kinderen.

Babygebaren = taal in handen

Ik ben verknocht aan babygebaren, of nou ja, inmiddels kindgebaren, want mijn kinderen zijn nu 3 en ruim 1,5 jaar. Heb je er wel eens van gehoord? Dat is dat je gebaren uit de Nederlandse Gebarentaal gebruikt om met baby’s te communiceren.

Of mijn kinderen dan een afwijking hebben of doof zijn? Nee hoor, totaal niet. Babygebaren gebruik je juist bij kinderen zonder bijzondere afwijking, omdat het ook hen helpt. Wist je dat kindjes gemiddeld hun eerste woordje tussen de 12 en de 14 maanden zeggen? Leuk toch? Maar met gebaren kan een baby vanaf 8 maanden al aangeven wat hij wil!

En vervolgens komt het in een stroomversnelling! Ik heb het met mijn eigen kinderen gezien. Met mijn zoon ben ik pas na 1,5 jaar begonnen toen hij nog bijna niks zei en gefrustreerd raakte.

Binnen een week kreeg ik mijn eerste gebaar terug en binnen een maand veranderde hij van een boos gefrustreerd mannetje naar een tevreden dreumes die zich GEHOORD voelde. Geweldig!

Met mijn dochter ben ik al met 5 maanden begonnen. Ze luisterde aandachtig en pikte al heel snel taal op. Binnen no time had ze de gebaren niet meer nodig en nu zij ruim 1,5 jaar is spreekt ze in volzinnen zoals, “Noah è ik buiten speelt” als ik vraag wat ze vanmiddag heeft gedaan. IT BLOWS MY MIND!

Want ja, door babygebaren vergroot je de woordenschat enorm. En jonge kinderen kunnen zich beter uitdrukken, waardoor je beter kunt inspelen op zijn of haar behoeften. En dát is weer goed voor het zelfvertrouwen. Ik heb het gezien met mijn eigen zoon, wat een transformatie!

Met gebaren speel je in op wat hij al wél kan inzetten voordat hij kan praten; zijn handen. Je geeft hem taal in handen, door je woorden te ondersteunen met gebaren. Daardoor kan je kindje eerder aangeven waar hij behoefte aan heeft en kun jij daarop inspelen. © ziezobabygebaar.nl

Vooralsnog heeft het gebruik van babygebaren géén negatieve invloed op kinderen. Ze gaan er niet eens later door praten, eerder juist. Ze krijgen een grotere woordenschat. Ze hebben minder driftbuien. Ze kunnen zich eerder uitdrukken. Ze ontwikkelen een betere band met hun ouders/verzorgers. Ze snappen abstracte begrippen zoals emoties sneller.

Nou ja, je hoort het al: één en al voordelen.

Heb jij wel eens van babygebaren gehoord? Of misschien zelf gebruikt? Wat is jouw ervaring?

‘Mevrouw, u discrimineert.’

Het is al bijna drie jaar geleden. Ik was net werkzaam op mijn huidige school, Vakcollege Noordoostpolder. Na de herfstvakantie was ik begonnen. De groep was zich aan het vormen en ik was ‘de vervanger’. In één van mijn klassen, een eerste klas, zat een jongen. Ik noem hem nu maar even Ali. ‘Ali’, klein van stuk, een heertje (te zien aan zijn loopje), gevat, vrolijk. Het zal mij niks verbazen als Ali later iets in de handel gaat doen, want onderhandelen, het laatste woord willen hebben én zijn gelijk willen halen, dat wil ‘Ali’. Toen. En nu nog steeds.

Voordat ik op deze school kwam, heb ik gewerkt in het cluster4 basisonderwijs. Een mooie, maar intensieve periode. Als ik iets geleerd heb, dan is het wel dat duidelijk zijn en grenzen stellen niet alleen goed en prettig is voor jou als docent, maar dat leerlingen dit zelf toch ook wel prettig vinden (over het hoe, wat en waarom een andere keer meer).

Maar nu even terug naar ‘Ali’ en zijn klas. Ali was één van de mannetjes die de groep konden sturen. Je zag leerlingen op hem letten; hij kreeg veel gedaan, was slim en gehaaid. Ik zie hem nog zitten. ‘Mevrouw ik vind de toets lastig. Mag ik alsjeblieft in de pauze nog even doorwerken?’ Dit zeggende op charmerende wijze. Dit mocht natuurlijk, want inmiddels hadden ze dat al door; ik kan duidelijk en ‘streng’ zijn, maar ook rechtvaardig en betrokken. Klasgenoten verlieten de klas. ‘Ali’ rekte zich opzichtig uit, hij bukte, mompelde wat en greep naar een propje op de grond, wat daar even daarvoor nog niet lag. Een propje met antwoorden.  Ik sprak hem hierop aan. Man, de hel brak nog net niet los. Hoe ik hem durfde te beschuldigen van spieken. Wist hij veel dat het daar lag. En vervolgens…. ‘U discrimineert’.

Deze uitspraak ‘Mevrouw, u discrimineert’, had hij al vaker laten vallen. Iets waar ik mij aan begon te irriteren. En irritatie – weet ik- zegt vaak iets over jezelf. Met deze opmerking raakte ‘Ali’ mij dan ook. Je mag me uitmaken voor van alles, maar zeggen en er mee schermen dat IK discrimineer, dan sla je de plank dus behoorlijk mis.

Ik voelde dat ik wat met deze situatie én deze jongen moest. Ook collega’s hoorde ik in die periode er vaker over dat leerlingen dit te pas en te onpas gebruikten. We moesten hier wat mee. In mijn beleving was en worden de leerlingen zeker niet gediscrimineerd. Echter ben ik wel van mijn mening dat veel jongeren die geboren zijn in Nederland, maar opgroeien met een andere cultuur of ouders hebben die de Nederlandse taal niet machtig zijn, vaak – ten onrechte – worden gezien als ‘die buitenlander’, of ‘die Marokkaan’ terwijl ze van origine uit Afghanistan of Turkije komen of gewoon in Nederland geboren zijn en dus Nederlander zijn. Er wordt ongemerkt en onbedoeld snel ‘geclassificeerd’ en geoordeeld. Dus ja, ik kan begrijpen dat jongeren met een dubbele nationaliteit of andere culturele achtergrond zich soms ‘gediscrimineerd voelen’. Echter werd dit dus te pas en te onpas – in mijn ogen ten onrechte gedaan. Ook zij oordeelden op deze wijze over mij.

Ik vond vooral dat ik hier wat mee wilde en moest. Maar wat? Ik had een idee.

Ik pakte mijn trouwalbum, maakte een foto van ons gezin, mailde deze naar mijn werkmail en had al voorpret als ik dacht aan de volgende les. En ja… ik hoefde niet lang te wachten… daar kwam ‘Ali’ al met zijn opmerking dat ik hem discrimineerde. Ik zei tegen ‘Ali’ dat ik een foto voor hem had. Dat ik hem deze graag wilde laten zien. Ali zei onverschillig dat hem dat niet interesseerde. Ik negeerde hem, liep naar mijn computer, zocht mijn mail en projecteerde de foto van mij en mijn familie op het bord. ‘Ali’ keek nog steeds niet, waarop ik duidelijk zei: ‘Kijk, dát is mijn gezin!’. ‘Ali’ keek op, de klas wachtte op wat komen ging. Een verbaasde blik verscheen op zijn gezicht. ‘Ja, jongen dat is mijn gezin! Ik ga jou en de klas wat vertellen, leg jullie boeken maar even weg’.  

Vervolgens ben ik elk gezinslid langs gegaan, beginnend bij mijn broers. Daar begon de eerste verbazing. ‘Hoe kunnen zij uw broers zijn, zij zijn super donker en lijken op M, uit Somalië?’. Klopt, zij zijn geadopteerd toen ik 7 was en zijn Braziliaans. Ik ging verder naar mijn oudste zus; klein, en zichtbaar is dat ze een verstandelijke handicap heeft. Ik legde uit dat zij vlakbij school woont – de leerlingen kenden de plek – en dat ik voor haar zorg omdat mijn andere zus en moeder in Ghana wonen. Vervolgens vertelde ik over mijn vader. Dat hij 18 jaar in Saoedi-Arabië heeft gewoond, ik daar zelf ook als 12 en 13 jarige heb gewoond en de islamitische cultuur van dichtbij heb ervaren. Hoe ik met een ‘Abaya’ over straat moest, maar mij ook veilig heb gevoeld en waarom dat zo was. Vervolgens heb ik verteld dat hij inmiddels – in Ghana- aan longkanker is overleden; en ze nu gelijk ook weten waarom ik niet rook (die vraag had ik al een paar keer gehad van een aantal jongens uit deze klas).

Ik vertelde nog wat meer over mezelf, over mijn nichtje die een paar jaar bij ons heeft gewoond. Over mijn broers die wél gediscrimineerd zijn, maar hoe normaal ons gezin voor ons is. Over wat ik belangrijk vind en dat wederzijds respect en vertrouwen voor mij erg belangrijk is. Ik sloot af met dat ik mag hopen dat ik nooit meer te horen krijg dat ik discrimineer.

Een mooi klassengesprek volgde. Een leerling vertelde – wat hij nog niet eerder had durven te vertellen – dat hij zelf in een pleeggezin woonde, een ander vertelde dat hij een pleegzus had. Er was vertrouwen en wederzijds respect. Ik zag de klas veranderen. Vanaf dat moment kon ik de vruchten plukken in deze groep. Vanaf dat moment gaan – als het nodig en mogelijk is – de boeken af en toe dicht en is er ruimte voor gesprek, wellicht wel het meest leerzame wat we onze leerlingen kunnen meegeven.

En ‘Ali’? Ali blijft Ali, charmant, een onderhandelaar. Maar zeggen dat ik discrimineer? Dat heeft hij nooit meer gedaan. Eigenlijk heb ik dit al heel lang niet meer in onze school gehoord, of van een leerling. Fijn!!! Want als wij als school iets willen uitstralen is het wel dat iedereen welkom is. En zo niet? Dan pak ik mijn trouwfoto er gewoon weer even bij.

Van proberen kan je leren!

‘Het is alsof we het over een ander kind hebben.’ Ik hoor het de juf nog zo zeggen. En ja, het was écht alsof we het over een ander kind hadden. De juf vertelde dat ze het eerste 10-minutengesprek van onze dochter in ging met het idee dat we snel zouden zijn uitgepraat. ‘Geef mij maar 10 van zulke kinderen!’ We lachten erom. Ik lachte mijn spanning weg. Ik maakte me al een tijdje zorgen om de ontwikkeling van mijn dochter. Niet dat die niet goed zou zijn. Nee, ze was echt aan school toe. Maar misschien ontwikkelde ze zich wel wat té goed in mijn ogen. Of misschien niet eens te goed, maar wel anders dan ik verwachtte.

Vorig jaar waren er nogal wat driftbuien en ander onwenselijk gedrag. ‘Hoort erbij, echt peutergedrag.’ Ik hoor het overal om me heen. Maar hier ging het verder dan dat. ‘Gewoon consequent zijn. Harder aanpakken. Ze moeten weten wie de baas is.’ Ik voelde me dan niet gezien. Niet gehoord. Want ik zag ons meisje zo haar best doen. Ik zag dat ze het zelf ook niet leuk vond. Ik zag haar onmacht, haar verdriet. Naar mijn idee ging het verder dan ‘normaal peutergedrag’. En ik wílde haar niet laten zien ‘wie de baas is’. Het gaf me het gevoel dat anderen vonden dat ik niet streng genoeg was, dat ik het niet goed genoeg deed. Dat ik over me heen liet lopen. Dat het mijn schuld was dat zij zich zo gedroeg.

Op school is het een engeltje. Thuis is het een bengeltje. Of liever: een draakje. Op school past ze zich aan, neemt ze alle indrukken en prikkels in zich op. Thuis komt het er uit. Stevige discussies, huilbuien, slaan, schoppen, ons stomweg negeren, we hebben het allemaal voorbij zien komen. Gelukkig voelt ze zich thuis veilig genoeg om het te laten gaan. Dat is een troost. Want dat ze op zulke momenten wat kwijt moet is duidelijk. Gelukkig krijgen we gaandeweg ook steeds meer tools om er mee om te gaan. Ik heb via internet contact met andere ouders met soortgelijke ervaringen. Dat helpt. Het is fijn om erkenning te krijgen dat het moeilijk is, dat het niet aan ons ligt. Het is fijn om herkenning te hebben. En het is fijn om te leren van elkaar. Wat helpt, wat niet… Bij elk kind anders natuurlijk, elk kind is uniek.

Naar aanleiding van iets anders ben ik me rond de zomer gaan verdiepen in hoogbegaafdheid. Ik herkende ontzettend veel van onze dochter. En dan vooral in de zogenoemde ‘zijnskenmerken’. Ze loopt misschien nog niet eens zo heel veel voor in haar ontwikkeling (en wat is normaal? Ze is onze eerste, dus hoe weet je wat ‘normaal’ is?). Nou blijken vooral meisjes sterren te zijn in het verbloemen van hun talenten. Zich aan te passen aan de norm. Want zo hoort het blijkbaar (wat herken ik dat dan weer zo ontzettend van mezelf!). Als een kind uit de klas op een tekening krast, krast zij ook. Terwijl ze kan tekenen. Als de juf bij haar gaat zitten om samen een puzzel te maken, wil zij sturing van de juf. Wil ze horen: ‘doe ik het zo goed?’ Terwijl ze het zelf echt wel kan. Ze wil geen fouten maken, probeert iets tot ze merkt dat het niet lukt en dan stopt ze. Pas als ze denkt dat ze het kan, probeert ze het weer. Ik vind het moeilijk om dat te zien. We hebben dan ook als motto hier in huis: ‘van proberen kan je leren’.

Het gesprek met de juf duurde drie kwartier. En het was niet het laatste gesprek. Inmiddels hebben we ook al een gesprek met de juf én de intern begeleider gehad. En wij zelf hebben inmiddels ook een gesprek gehad met een deskundige op het gebied van hoogbegaafde peuters en kleuters. Na het invullen van lijsten door ons én school, rolt daar als het goed is ook een advies voor ons en school uit. Zodat wij ons meisje kunnen begeleiden in al haar krachten en kwetsbaarheden. Want wij zitten soms met de handen in het haar. Weten soms niet goed hoe we de dingen aan moeten pakken. Hebben soms het gevoel: ‘we doen maar wat’. Gelukkig mogen ook wij voor ogen houden: ‘niet perfect is ook ok’. En: ‘van proberen kan je leren.’

Liefde 2.0

Deze week maakte ik een autorit van 60 kilometer met 6 jongens van 16 jaar. Geweldig om stil te zijn en te luisteren. Ze dagen elkaar uit en nemen elkaar in de zeik maar bovenal hebben ze lol. Een steeds terugkerend onderwerp is uiteraard ‘meisjes’. Het is grappig dat ze gewoon hierover praten terwijl ik erbij ben. Ze laten uiteraard het achterste van hun tong niet zien maar ze bespreken wel dingen die ik, op die leeftijd, nooit en te nimmer zou bespreken met mijn ouders in de buurt.

Ik bedacht me dat er eigenlijk niks is veranderd door de jaren heen. De techniek maakt de manier waarop jongens en meisjes contact hebben anders en makkelijker. Maar de zoektocht naar liefde en avontuur is gelijk. Toen ik 16 was ontmoette ik mijn grote, eerste liefde. Helaas woonden we 1600 km bij elkaar vandaan. Vliegen en bellen was toen nog erg duur dus elkaar brieven sturen was onze manier om in contact te blijven. Uiteraard blijft op deze manier de liefde niet jaren in stand en bloedde het dood. Hoe zou het verlopen zijn met de techniek van nu?

En nog eerder was de zoektocht naar liefde er evengoed. Op Instagram volg ik ‘Liefde van toen’. Hierin deelt Mark Traa advertenties die tussen 1840 tot 1940 geplaatst werden door geliefden, minnaars en zoekenden. En die zijn lang niet zo braaf als ik verwacht had. We hebben het beeld dat de jongeren van nu brutaler en grover zijn dan jaren terug. Bekijk de Instagramposts maar eens en je ziet dat ze er vroeger ook wat van konden. Een paar voorbeelden:

1858: Eduard, vader en moeder zijn afgereisd, ik verwacht u heden avond om 9 1/2 uur bij mij aan huis aan de Heerengracht.
1903: Twee heren …. wenschen twee dames, slank van figuur, logge dikke zijn niet naar ons zin ….

Nou, zei ik teveel? Heel direct en behoorlijk grof toch? Vroeger was echt niet alles netter en beter. De jongeren van nu kunnen veel directer met elkaar in contact treden. En dat heeft zijn voor- en nadelen. Net als de communicatiemiddelen van vroeger hun voor- en nadelen hadden. Maar wat er ook veranderde in de tijd, uiteindelijke zijn we allemaal op zoek naar hetzelfde in het leven… LIEFDE.

Met een glimlach op mijn gezicht rijd ik de 6 jongens door de polder. Ik geniet van de verhalen en wens dat ze, te zijner tijd, stuk voor stuk hun grote liefde zullen vinden.